Elia, de profeet



De profeet Elia wordt gezien als de vader van de Karmel, de oorsprong. Elia en de Karmel zijn door een sterke spirituële band verbonden: de wil om God te dienen, een groot vertrouwen in God te leren hebben, Zijn mateloze barmhartigheid te voelen, de aanwezigheid van de levende God in het hart van de mens en van de samenleving zichtbaar te maken. De profeet is de inspiratiebron van de Karmel en door hem wordt de Karmel zelf profetisch.


Het leven van Elia wordt gekenmerkt  door lange tijden van eenzaamheid en stilte, in de woestijn, op de berg, bij een beek, maar er volgt steeds weer een beweging terug naar de mensen, terug naar de stad. Altijd met deze sterke boodschap: "de Heer is onze God" (1 Kon 18, 21).


Zijn leven als profeet begon met een moeilijke boodschap aan de koning: "in geen jaren zal er dauw of regen komen, behalve wanneer  ik het zeg" (1 Kon 17, 1). God stuurde Elia naar het dal van Kerit, langs een beek, om zich te verbergen. Daar leerde hij te vertrouwen: het voedsel werd hem door raven gebracht. Maar na verloop van tijd moest hij weer naar de mensen.


Op de berg Karmel ziet Elia uit naar de lang verwachte regen, als teken van Gods zegen en noodzakelijk om te kunnen leven. Wachten op een teken van Gods zegen... Het is soms lang wachten. Het is soms wachten in het donker. Uiteindelijk begon het te stortregenen (1 Kon 18, 45); niet enkele druppeltjes water, maar water in overvloed. Leven in overvloed.


Daarna begint een tijd van hardlopen.  Hollen, de berg af, naar de hoofdweg. Wegrennen door de woestijn, uit angst voor zijn leven, bedreigd door de vrouw van de koning. In de woestijn gaat hij liggen onder een bremstruik. Het is nu genoeg geweest. Maar een engel maakte hem wakker.

Hij moest voortgaan, naar de berg Horeb.  Daar, in een ademloze stilte, heeft hij een bijzondere ontmoeting met God.  Hij moest daar niet blijven. "Keer terug, naar Damascus" (1 Kon 19, 15). Hij moest terug naar de mensen.






Sta op en eet nog iets, want er staat je nog een verre reis te wachten (1 Kon 19, 7)